Het kasteel van Coevorden stamt uit de elfde eeuw. De naam is ontleend aan de voorde waardoor sinds overoude tijden vee werd gedreven. De bisschop van Utrecht die in 1046 het wereldlijk gezag over Drenthe verkreeg van de Duitse keizer, stichtte op een kunstmatige heuvel, een zogenaamde motte, een versterking vanwaar uit de belangrijkste middeleeuwse handelsweg vanuit Duitsland naar Groningen en Friesland kon worden bewaakt. Aan de oostzijde van de motte bevond zich de voorburcht, de bailey, met dienstgebouwen. De lucratieve tolheffing bij de passage door de moerassen bij Coevorden gaf aanleiding tot menig conflict tussen de kasteelheer van Coevorden en de landsheer in Utrecht. Aan de voet van het kasteel groeide metter tijd een nederzetting van handwerkslieden uit tot het stadje met dezelfde naam.
Tijdens de volgende eeuwen raakte het leenverband tussen de bisschop en diens vertegenwoordiger steeds losser en beschouwden zijn vazallen zich als zelfstandige Heren van Coevorden. In 1395 kwamen Drenthe en Coevorden weer onder direct gezag van de bisschop. Bisschop Frederik van Blankenheim bepaalt in een akte dat het Kasteel Coevorden het enige kasteel van Drenthe zal zijn. Sindsdien verbleef een niet erfelijke drost als bestuurder van stad en gewest op het kasteel. De militaire functie van het kasteel bracht met zich mee dat Coevorden meermalen werden verwoest. In de 16e eeuw verloren onder het Habsburgse bewind van Philips II zowel stad als kasteel hun militair belang en trad het verval in.
Filmpje maquette Kasteel Coevorden anno 1650, klik hier.